Mededeling

Collapse
No announcement yet.

Zeevaartscholen.

Collapse
X
 
  • Filter
  • Tijd
  • Show
Clear All
new posts

  • Zeevaartscholen.

    Nieuw onderwerp, voor mij nostalgie.
    H.Z.S.U. (Utrecht)
    In de jaren '50 machinistenschool geheten, en in de jaren '60 van de vorige eeuw werd het Hogere Zeevaartschool.
    Opleiding alleen voor werktuigkundigen.
    Ook een paar interieurfoto's, waar we de praktijklessen zien naast de theorie.

    Op de voorgrond praktijklokalen en machinehal/ achter de theorielokalen.
    43974.jpg

    Ingang met links de cantine.
    79250.jpg

    Praktijklokaal met draaibanken.
    43975.jpg

    Praktijklokaal met bankwerkerij.
    43976.jpg

    Het Electro practicum.
    126804.jpg

    De machinehal, met op de voorgrond seperatoren, en op de achtergrond een diesel. (met waterrem).
    126805.jpg

    Praktijk, behorende bij het vak "meet- en regeltechniek".
    811572.jpg811140.jpg
    Vriendelijke groet, Hans.

    "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

  • #2
    Evenals de Hogere Zeevaartschool in Utrecht is ook de Middelbare school voor Scheepswerktuigkundigen in Apeldoorn in 1990 gestopt met haar bestaan.

    Historie van de School voor Scheepswerktuigkundigen Apeldoorn

    In 1928 werd de heer J.J. Oltmans, oud marineofficier, directeur van de Ambachtschool in Apeldoorn. Vanuit zijn diensttijd bij de marine bracht hij een schat aan ervaring mee. Zo had hij al technisch onderwijs gegeven aan het KIM, het Koninklijk Instituut voor de Marine. De heer Oltmans was een gedreven man, met een vooruitziende blik. Na een tiental jaren lobbyen, lukte het hem een machinistenopleiding voor de koopvaardij te bewerkstelligen.
    In 1939, kort voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog, startte de eerste 2-jarige dagopleiding voor machinist op de grote handelsvaart. De 'Machinistenschool' was gehuisvest in de Ambachtschool aan de Stationstraat in Apeldoorn.

    Met steun van de BOVAG kon op 1 september 1942 met een gesubsidieerde Autotechnische School (ATS) worden begonnen. Oltmans, directeur van de Ambachtschool en oprichter van de Machinistenschool werd ook de oprichter en eerste directeur van de Autotechnische School.

    De beide scholen hadden in de oorlogsjaren geen gebrek aan leerlingen. De "Arbeitseinsatz" in Duitsland hing na 14 mei 1940 als een bedreiging boven Nederland. Waarbij als regel gold; volgde men een beroepsopleiding dan was men tot zijn twintigste levensjaar vrijgesteld. Vele jonge mannen gingen die tijd een opleiding volgen, om aan de vrijwillig en verplichte tewerkstelling te ontkomen.
    Naar later bleek, zijn door de heer Oltmans en zijn administratieve medewerkers vele geboortedatums 'aangepast' om dreigende 'deportatie' naar Duitsland te voorkomen.

    In maart 1946 werd de bestuurlijke vorm van de drie scholen gesplitst. De Ambachtsschool kreeg een nieuwe directeur. De SvS en ATS kwamen geheel onder leiding van de heer Oltmans te staan. De Ambachtschool bleef voorlopig de basis, met dependances aan de v.d. Houven van Oordtlaan en de Duivenlaan. (een voormalige gaarkeuken)

    SvS en ATS namen hun intrek in de villa "Swinemunde" aan de Loolaan 46. In 1949 werd de Machinistenschool omgevormd tot Middelbare school voor Scheepswerktuigkundigen. Officieel, School ter opleiding tot werktuigkundige ter Koopvaardij. Al gauw bleek de villa te klein.
    In 1951 nam de heer J.J. Oltmans afscheid van zijn SvS en ATS. Hij werd opgevolgd door, wederom een oud marineman, de heer G. van der Tak. In de periode dat de heer Van der Tak de scepter zwaaide, 1951- 1959, werd besloten op de zelfde locatie een nieuw scholencomplex te bouwen. In 1957 begonnen de voorbereidingen voor de bouw. Door de afbraak van villa "Swinemunde" moest noodgedwongen worden uitgeweken naar een andere oude villa aan het Apeldoorn - Dierens kanaal, 'Kanaal Noord'. Deze villa was daarvoor in gebruik als 'Huishoudschool'.
    Na jaren op verschillende locaties in Apeldoorn gevestigd te zijn geweest, werd in 1959 aan de Loolaan het nieuw schoolgebouw in gebruik genomen. Het voor die tijd imposante scholencomplex werd door Zkh. Prins Bernhard officieel geopend. In 1964 vierde de school haar 25-jarig bestaan.

    Honderden jongemannen uit Apeldoorn en wijde omgeving zijn er van 1939 tot 1990 opgeleid voor het "Voorlopig Diploma". Het "VD" was in die tijd het aanvangsdiploma scheepswerktuigkundige Grote Handelsvaart. Het afsluitende staatsexamen werd in Den Haag afgenomen. Als gediplomeerd scheepswerktuigkundige zwierven zij daarna over de wereldzeeën, aangevangen in de rang van 5de of assistent-scheepswerktuigkundige. Velen kozen, na een aantal jaren varen, voor een baan aan de wal. Zij zijn het bedrijfsleven gaan versterken.

    Eind jaren tachtig, begin jaren negentig besloot het ministerie van onderwijs dat er een aantal zeevaartscholen gesaneerd diende te worden. Het ministerie werkte toe naar een concentratie van de zeevaartscholen in de kustprovincies. Het betekende het einde van een tijdperk. In 1990 leverde de opleiding de laatste student af. De SvS zoals de school in Apeldoorn bekend was, de SvS, is geschiedenis.

    De HTS - Autotechniek (ATS) verzelfstandigde en verhuisde in 1977 naar de Condorweg in Apeldoorn. In 1988 sloot de HTS zich aan bij de Hogeschool Arnhem en in 1989 werd Hogeschool Arnhem de Hogeschool Gelderland.
    In 1996 verliet de HTS autotechniek definitief Apeldoorn en vestigde zich in Arnhem.

    "Swinemunde" en nieuw schoolgebouw
    Swinemunde03.gif Homepagefoto-1.gif

    J.J. Oltmans (1886-1974), aspirant-machinist.
    We zien hier in tegenstelling tot tegenwoordig, op de revers de vlambouw met slechts 1 pijl, beiden gekruist.


    e6b0ad65018995b910c72e2ccd536e1dfd29ab41cc93078e1c5cb581d67c0f0e.jpg
    Vriendelijke groet, Hans.

    "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

    Reactie


    • #3
      Zeevaartschool Texel

      In de periode 1912-1913 tot 1933 werd op Texel zeevaartkundig onderwijs gegeven aan de Gemeentelijke Zeevaartschool te Den Burg. Deze school was eerst gevestigd in het zogeheten 'Glazen Paleis' aan de Nieuwstraat, nu Burgwal, en vanaf 16 februari 1915 in het nieuwgebouwde pand aan het Schilderend. Op deze dag namelijk werd het nieuwe gebouw feestelijk geopend.

      2015032309550fce4563198.jpg

      Zeevaartschool Texel in feesttooi! Op 16 februari 1915 werd het nieuwe gebouw feestelijk geopend. Open dag, feest...uitvoering , bal na! Laat dat maar aan de toenmalige 'Zeevaarders' over. De burgerij was vol lof over de inrichting van het nieuwgebouwde pand. Een parel voor Texel! Het gebouw had de uitstraling van de brug van een koopvaardijschip, voorzien van een stuurboord- en bakboordvleugel. Op het dak , in scheepstermen 'het schavotje' genoemd, stond een groot scheepskompas. De zeevaarders kregen hier onderricht in astronomische zeevaartkunde, zoals o.a. werken met de sextant. Het uitzicht over het eiland was fenomenaal. In de verte lokte de zee!
      De leerlingen werden in de volksmond 'Zeevaarders' genoemd. Door ondermeer de van rijkswege opgelegde bezuinigingen werd de Zeevaartschool gedwongen halverwege het crisisjaar 1933 haar deuren te sluiten. Daarna volgde een lange periode als School voor ULO. Toen ook aan dit tijdperk een einde kwam door de opkomst van de Rijks Scholen Gemeenschap (R.S.G), nu Openbare Scholengemeenschap (OSG) De Hoge Berg, werd het gebouw al snel als Dorpshuis 'd' Ouwe ULO' in gebruik genomen. In deze periode bood het gastvrij onderdak aan allerlei verenigingen. Nu is hier al vele jaren de Artex Kunstenschool Texel (o.a. muziekschool) gevestigd. De ontstaansgeschiedenis van de Zeevaartschool is uitgebreid beschreven in het in 1975 uitgegeven standaardwerk 'tLant van Texsel' van J.A. van der Vlis. In 2007 begon hij met het vastleggen van de geschiedenis van deze ooit roemruchte school. Zijn onderwerpen zocht en vond hij in de levens van directeuren, leraren en vooral de leerlingen, 'de Zeevaarders'. Het eerste van in totaal nu zes verhalen is het in juni 2008 door de Historische Vereniging Texel gepubliceerde verhaal 'Requiem voor een Zeevaarder' over het Texelse leven van 'Zeevaarder' Frans Tjallingii. Hij stierf in 1930 en werd begraven op de Begraafplaats aan de Kogerstraat. In zijn steen gebeiteld de woorden 'Leerling Zeevaartschool'. Meer stenen herinneringen aan voorbije nautische tijden: het markante gebouw zelf dat momenteel haar honderdste verjaardag viert en de zwerfstenen bij OSG De Hoge Berg, die ooit voor de ingang van de Zeevaartschool lagen. Een stenen nalatenschap!

      De Zeevaartschool nu!

      2015032309550fceff8788e.jpg

      Mocht u op enig moment besluiten de jarige te gaan begroeten op het vertrouwde adres Schilderend 39 in Den Burg kan ik u aanraden: kijk omhoog! U ziet boven de voormalige hoofdingang de woorden 'SCHOOL voor ULO'. Bedenk echter dat hieronder nog steeds het woord 'ZEEVAARTSCHOOL' staat en dat al meer dan 100 jaar!

      2015032309550fcfe5e493d.jpg
      Vriendelijke groet, Hans.

      "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

      Reactie


      • #4
        Kweekschool voor de Zeevaart (Leiden).

        GT_1130_001.jpg

        De entree van het gebouw bevindt zich onder een rondboog met accenten van gele baksteen met in de boogtrommel een kleurrijk beschilderd reliëf met marine-en scheepvaartattributen, gekruiste Nederlandse vlaggen en oranjewimpels.

        De eerste steen van de nieuwbouw van de Kweekschool voor Zeevaart, links in de plint, bijna op de hoek van de korte gevel aan het Noordeinde, met tekst:
        "E.M.A. Juta. - oud 7 jaren - 3 october 1878"
        Zij was de dochter van H.C. Juta en A.C. Lisman. Juta was wethouder en voorzitter van de Kamer van Koophandel.

        De particuliere instelling onder de naam "Kweekschool voor Zeevaart" werd in 1855 opgericht op voorspraak van Prins Hendrik. Zijn borstbeeld - een geschenk van de Leidse burgerij - is in 1879 boven de hoofdentree van het nieuwe hoofdgebouw geplaatst.
        Het ontstaan van de school is te danken aan het initiatief van een aantal gegoede burgers, waaronder dominee Rutgers van der Loeff, die zich “het lot der verwaarloosde vagebonderende jongens in de Leidse achterbuurten aantrokken”. Er werd besloten dat er een inrichting moest komen die deze jongens “zal omvormen tot werkzame en nuttige leden der maatschappij, bepaaldelijk in dienst van de Nederlandse Marine”.
        Het doel van de Kweekschool was de jongens via een baan bij de marine een kans in de maatschappij te geven en tegelijkertijd de personeelsvoorziening van de marine een impuls te geven. De kweekschool was daarmee van een geheel andere signatuur dan de Kweekschool voor de Zeevaart (mèt lidwoord) in Amsterdam, die opleidde voor het middelbaar en hoger kader bij de marine.
        Blijkens artikel 31 van de statuten uit 1855 werden de kwekelingen onderwezen en geoefend [...] in uiteenlopende zaken, zoals daar waren: de kennis van de benodigde gereedschappen aan boord, de kennis van de ‘glazen en wachten’, het schoonschip maken, het knopen, het splitsen, het enteren, het roeien en pagaaien en niet te vergeten de kennis van de verschillende rangen aan boord van ’s Rijks oorlogschepen.
        Voor de praktijklessen beschikte de school over twee oefenmasten en een door de Minister van Marine beschikbaar gestelde kanonneerboot.
        Er werd ook veel aandacht besteed aan zingen; in het jaarverslag van 1865 kon Rutgers van der Loeff melden dat aan het onderricht van de kwekelingen het driestemmig gezang was toegevoegd, “in de hoop dat het verzachtend en beschavend zal werken op de soms wat ruwe conversatietoon van het jolige volkje”.

        De opleiding werd ondergebracht in een pand bij de Witte Poort aan het Galgewater. Aanvankelijk woonden de jongens thuis, pas vanaf 1859 ging met de opening van een nieuw gebouw de wens van een internaat in vervulling. In 1879 werd dit pand uitgebreid met het huidige hoofdgebouw.
        Het nieuwe gebouw moest plaats bieden aan zo'n 300 leerlingen. Het ontwerp, in eclectisch Neo-Renaissancistische stijl, was van de hand van C. Blansjaar en P.C. Lancel. De school werd gebouwd op een voormalig bolwerk, waar in de 17e eeuw de molen van de familie van Rembrandt van Rijn gestaan zou hebben.
        Wat bouwtekeningen betreft: een archief van architect Blansjaar is vooralsnog niet bekend. Wel leverde de Hoofdcommissie tekeningen in die door de Gemeenteraad bekeken konden worden; als het goed is zitten ze tussen de bijlagen bij de Handelingen van de Gemeenteraad van 4 juli of 15 juli 1878, of mogelijk tussen de bijlagen bij de notulen van B & W ergens in die tijd. Aardig is het bedrag waarvoor S. van Leeuwen als laagste inschrijver genoteerd staat: f 44.444,44!

        De kwekelingen werden lokaal ook wel aangeduid als de Jantjes van Leiden, wat in het geheel geen negatieve betekenis had, in tegenstelling tot het gezegde over die andere Jan van Leiden; 'zich ergens met een jantje-van-leiden van afmaken'. Op de school bestond een strenge tucht en werden goede matrozen afgeleverd.
        In 1914 werd de Kweekschool voor Zeevaart omgezet in een Opleiding voor leerling-officieren bij de Koninklijke Marine, een opleiding die tot 1922 in Leiden bleef bestaan. Vervolgens werden er tot 1932 kustwacht-soldaten geschoold. Daarna had het gebouw nog diverse militaire en civiele functies. Het in 1885 bij de school opgetrokken ontspanningslokaal is inmiddels gesloopt, evenals het in 1914-1915 gebouwd bijgebouw met gymnastieklokaal.
        De oorspronkelijke indeling van het gebouw was voor een belangrijk deel geïnspireerd op de indeling van een schip.
        In 1914 kwam er een einde aan de kweekschool in de betekenis dat er een opleiding voor de lagere marine-rangen was gevestigd. Maar omdat het pand eigendom was van het Rijk en ter beschikking van de marine stond, bleef het marine-gerelateerde gebruik bestaan. In 1914 werd het gebouw in gebruik genomen als vooropleiding voor leerling-officieren bij de Koninklijke Marine. Vanaf 1922 tot 1932 was er een opleiding voor zeemiliciens (kustwacht-soldaten) ondergebracht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het gebouw gevorderd door de Duitse Wehrmacht.

        Na de oorlog bood het pand eerst onderdak aan het hoofdkwartier van de Mijnenopruimingsdienst (MOD). Nadat deze in 1948 naar Den Helder was verhuisd, vestigde de marine de Sociaal Medische Dienst in het gebouw. Toen die in 1973 vertrok, kwam er een einde aan het militair gebruik.

        Bron:

        Geschiedenis Kweekschool voor de Zeevaart in Leiden.
        Vriendelijke groet, Hans.

        "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

        Reactie


        • #5
          Nautische opleidingen in beeld

          Deze video neemt je mee op een korte tocht langs onze nautische opleidingen. Neem een kijkje in de verschillende simulatoren, onze praktijklokalen en het opleidingsschip.

          https://www.youtube.com/watch?v=XZWLmX1Rbms
          Vriendelijke groet, Hans.

          "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

          Reactie


          • #6
            Den Helder Zeevaartschool 1890 – 1930.

            Wat Adriaan Johannes Leijer niet lukte werd Willem Bakker bijna in de schoot geworpen. Op 16 januari 1890 gaven Burgemeester en Wethouders hem opdracht een bijzondere school voor vis- en zeevaartkunde op te richten. Een jaar later werd hiertoe eveneens een commissie in het leven geroepen terwijl Willem zelf zijn akte zeevaartkunde behaalde. De op te richten Zeevaartschool moest bestaan uit twee afdelingen, een tweejarige cursus en een cursus voor stuurlieden, die twintig vakken kregen en zes dagen per week acht uur per dag naar school moesten. De leerlingen mochten niet ouder zijn dan 17 en niet jonger dan 14 jaar en moesten over een goede gezondheid beschikken.

            eerste-pand-kerkgracht-zeevaartschool.jpg

            Op 10 april 1893 werd op de Kerkgracht 10 te Den Helder de eerste officiële school geopend voor stuurman en den loodsdienst met als directeur de van Vlieland afkomstige Simon Visser. Willem Bakker bleef leraar samen met Albertus van Dissel, later vervangen door S.P. Kleinbentink voor de taallessen en eerste stuurman grote vaart Franciscus Dekker voor de praktische zeevaartkunde. Er traden in dat eerste jaar zeven leerlingen toe voor de tweejarige cursus en vier voor de afdeling stuurlieden. In totaal telde Nederland in 1893 tien zeevaartscholen met samen 403 leerlingen, waarvan 179 het stuurmansdiploma behaalde.

            De opkomst van de stoomvaart en de nabijheid van de Rijkswerf zorgde voor een behoorlijke aanwas van leerlingen in Den Helder die een diploma machinist ter Koopvaardij wilden behalen. In 1895 kwamen verschillende verzoeken van werknemers op de Rijkswerf voor die opleiding, waarvoor een speciale avondcursus werd ingesteld. Toch werd pas in 1907 met de komst van de ‘Schipperswet’ het rijksexamen voor stuurlieden en machinisten verplicht. Het aantrekken van leerkrachten bleef echter een groot probleem omdat de betaling in verhouding tot andere zeevaartscholen slecht was in Den Helder. Zo verliet Willem Bakker op een goed moment de school en vertrok naar elders, evenals in 1903 directeur Visser, die werd vervangen door de uit Blokzijl afkomstige Tjelling Theodoor Bonk.

            Het zat niet mee, want Tjelling werd al spoedig ongeneeslijk ziek en werd op zijn beurt vervangen door Theodorus Cornelis van Mierlo die onder zijn bewind belangrijke veranderingen doorvoerde zoals door in 1910 de lang begeerde machinisten cursus aan het leerpakket toe te voegen. Van Mierlo had overigens nooit zelf gevaren en kreeg daarom assistentie van een leraar van het KIM, de heer H.J. Boldingh. Van Mierlo trouwde met de Helderse Wilhelmina Schouten en zij kregen twee zonen en één dochter. In 1912 werd begonnen met een visserij cursus. Ondertussen kwamen en gingen leraren, waaronder een paar belangrijke namen zoals Johannes van Roon die samen met P. Haverkamp een belangrijk boek schreef over zeevaartkunde, H.J. Bartelings die later faam verwierf als hoofd van de school in Groningen en Jacobus Middendorp, die een groot deel van zijn leven aan de zeevaartschool te Den Helder verbonden bleef.

            veel-aanvragen-kwamen-van-de-rijkswerf-en-ondersteuning-van-leerkrachten-van-het-nabijgelegen-ki.jpg

            Onder druk van Van Mierlo werd in 1915 een telegrafistencursus aan het pakket toegevoegd. Wanneer in 1917 de wet op het nijverheidonderwijs haar intrede doet moet ook de zeevaartschool in Den Helder helemaal gereorganiseerd worden. Steeds vaker komen ook leerlingen van buiten de stad naar de zeevaartschool en al was de school inmiddels van de Kerkgracht verhuist naar Ankerpark 31 (een groot woonhuis) en kwam daar in 1918 nummer 27 bij, het bleef onvoldoende om de stroom leerlingen te bergen. Even was er sprake om de ambachtschool te betrekken die verhuisde naar nieuwbouw, maar ook Van Mierlo wenste een nieuwe school. Op 13 januari 1921 werd de machtiging tot de bouw van de school getekend en begroot op Fl. 275.000.
            Tegenvallende subsidies van het rijk zorgden meermalen voor uitstel van de bouw, zelfs na een rapport in februari 1925 van architect S. Krijnen en wnd.- directeur van gemeentewerken, waarin de staat van de onderkomens als onvoldoende werd bestempeld. Het duurt dan nog, ondanks dat het onverantwoordelijk is, tot 1928 wanneer het besluit valt een nieuwe school op de plek van de oude gebouwen neer te zetten. Het ontwerp was van de heer Dokter en de eerste steen werd in bijzijn van Van Mierlo door burgemeester Driessen gelegd op 22 november 1929. De officiële opening van de zeevaartschool was op 9 september 1930. Van Mierlo die gedurende jaren een bitter gevecht leverde om dit voor elkaar te krijgen, bleef hierna slechts nog één jaar aan de zeevaartschool verbonden en werd opgevolgd door leraar Jacobus Middendorp, bij vele later bekend als ‘Ome Jan’.
            Vriendelijke groet, Hans.

            "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

            Reactie


            • #7
              Opleiding tot Maritiem Officier gewild.

              Publicatiedatum: dinsdag 6 oktober 2015.

              De Hogere Zeevaartschool Amsterdam, de Rotterdam Mainport University, het Maritiem Instituut Willem Barentsz op Terschelling en de De Ruyter Academy in Vlissingen. Dat zijn de vier heel verschillende plekken om een opleiding te doen die op al die plekken vrijwel hetzelfde is: de opleiding om op het hoogste niveau Maritiem Officier te worden.

              Over belangstelling voor de opleiding Maritiem Officier hebben de scholen al een paar jaar niet te klagen. Marcel Krijnen, adjunct-directeur van het Maritiem Instituut Willem Barentsz (MIWB): “Drie jaar geleden hebben we echt een sprong gemaakt van rond de tachtig eerstejaars naar 120, nu is dit wat gestabiliseerd. Maar voor komend schooljaar verwachten we toch wel weer 110 eerstejaars.”

              Peter Harts, opleidingscoördinator van de opleiding in Vlissingen: “Vorig jaar hadden we 92 eerstejaars, dat was echt een record. Nu zitten we daar iets onder.” Ook Amsterdam telde groei de laatste jaren, naar ruim zeventig. Komend schooljaar verwacht Henny Krul, opleidingsmanager van de Hogere Zeevaartschool, er ietsje minder: zo rond de zestig.
              Maarten van Ogtrop, directeur van de Rotterdam Mainport University: “We zitten nog steeds in de lift, in 2012 schreven we voor het eerst over de honderd studenten in, nu verwachten we er 120 tot 130. We hebben ook tijden gekend dat we maar zestig eerstejaars hadden, dat was in de tijd dat rederijen wegtrokken uit Nederland.”

              De groei van de afgelopen jaren heeft ook tot gevolg dat de scholen meer stageplaatsen nodig hebben. Harts: “We hebben nu voor drie studenten nog geen stageplaats, dat komt uiteindelijk wel goed. Maar het is wel een punt van zorg. Dat hebben we gezamenlijk als opleidingen onder de aandacht gebracht. Gelukkig bieden veel reders stageplaatsen aan, maar er zijn er ook die zeggen ‘we hebben er geen belang bij’. Dan zeggen wij: ‘Die student gaat misschien niet bij jouw rederij werken, maar het is in het belang van de hele maritieme wereld dat er voldoende stageplaatsen zijn’.”

              Nog steeds wordt de ‘baanzekerheid’ geroemd. Marcel Krijnen van het MIWB: “Baangarantie kan je nooit geven, maar het is wel zo dat bijna iedereen aan het werk is.” Studenten komen veel in de koopvaardij terecht, zowel bij reders als Wagenborg en Spliethoff als meer mkb-bedrijven van kapitein-eigenaars. Maar daarnaast zijn de bagger en offshore populair, onder andere omdat daar goed kan worden verdiend. Van Ogtrop: “De laatste jaren zien we dat de offshore erg is gaan trekken, ook de natte waterbouw, de bagger met de pijpenleggers, de stenenstorters. We zien dat de Nederlandse reders voor de complexere operaties graag kiezen voor Nederlandse officieren. Voor het pontje varen met containers van a naar b zijn ze ook wel geneigd buitenlandse officieren aan te trekken, zoals Russen en Indonesiërs.”

              Wie naar de verschillen tussen de opleidingen vraagt, krijgt eerst te horen wat gelijk is. “We leiden allemaal op voor hetzelfde beroepsprofiel, dat is de leidraad voor alle vier de opleidingen”, zegt Henny Krul. “De eisen zijn gebaseerd op internationale wet- en regelgeving (de STCW-eisen) en hbo-competenties, dat maakt de bewegingsvrijheid van een opleiding behoorlijk beperkt.”
              Inhoudelijke accenten zitten vooral in de minoren. Minoren zijn vakken in het vierde jaar bedoeld om te verdiepen of te verbreden. Zo wordt er op Terschelling sinds jaar en dag de minor Offshore en Dredging gegeven. Die geeft studenten die die richting op willen wat extra’s mee. In Vlissingen kun je een minor Pilotage doen. Harts: “Daarmee word je geen loods, maar je hebt wel een streepje voor als je die kant op wil.”

              Ook inhoudelijke vernieuwing en onderzoek is terug te vinden in de minoren. Zo bereidt men op het MIWB een minor IJsvaart voor. Dat gebeurt in samenwerking met Aboa Mare, de zeevaartschool in Turku, Finland. Amsterdam heeft een minor Praktijkgericht onderzoek. Krul: “Daarbij worden bepaalde kerntaken bij bedrijven uitgediept, wanneer die ‘state of the art’ zijn op een relevant technologisch gebied.” Dat kunnen ook bedrijven buiten de scheepvaart zijn. Zo onderzochten studenten al werkzaamheden in de machinekamers van het AMC, het Afval Energie Bedrijf en Rijkswaterstaat.

              Rotterdam bereidt onderzoek voor naar de human factors in de scheepvaart. Van Ogtrop: “Een schip heeft tegenwoordig tweeduizend verschillende sensoren, die geven allemaal iets anders aan, van de temperatuur van het koelwater tot of de waterdichte deuren gesloten zijn. Hoe zorg je ervoor dat de man die het schip bestuurt de juiste signalen eruit haalt?”

              Uitwisseling tussen zeevaartscholen is beperkt. De Amsterdamse studenten doen wel eens een minor op Terschelling (vooral de offshore minor is gewild). Met Rotterdam is de uitwisseling lastiger omdat de RMU de minoren in een andere periode van de studie plant. “We hopen wel dat in de toekomst als het studieprogramma is aangepast op het nieuwe beroepsprofiel er meer ruimte voor komt”, zegt Van Ogtrop.

              Inhoudelijk zijn de verschillen tussen de opleidingen klein, maar er zijn wel grote verschillen in cultuur en omgeving. Studenten op Terschelling wonen op een van de mooiste plekken van Nederland, maar de enige studenten om hen heen zijn collega-studenten van het MIWB. Dat is geheel anders in wereldstad Amsterdam, waar de opleiding tussen alle technische opleidingen van de hogeschool Amsterdam huist.

              “Hier gebeurt het allemaal”, zegt Van Ogtrop trots over de Rotterdamse haven. Het gebouw aan de Lloydstraat ligt pal aan de Nieuwe Maas. “Het komt wel voor dat een cruiseschip van de Holland America Line voorbij komt met een oud-student op de brug. Die komt dan op ooghoogte voorbij terwijl de hele school staat te zwaaien. Deze locatie geeft natuurlijk een geweldige binding met het beroep.”

              Ook in Vlissingen is de locatie een plus, zeker als in 2017 een nieuw gebouw op de Boulevard staat. Verder roemt Harts de kleinschaligheid van de opleiding. “Je bent hier geen nummer.”

              Vlissingen trekt van oudsher ook Vlaamse studenten, ze maken 10 à 15 procent van het studentenaantal uit. Daarbij gaat het om twee categorieën, mbo’ers en studenten die het in Antwerpen niet gered hebben. Harts: “In België geldt er voor afgestudeerde mbo’ers een maximumtonnagegrens van 3000 ton (GT) of 3000 kW voor de schepen waar ze op mogen varen, bij ons is mbo onbegrensd. Deze Vlaamse mbo’ers komen naar Nederland voor het vervolg, omdat het Belgische onderwijssysteem geen hbo kent.” In Vlissingen komt ook elk jaar een aantal Vlaamse studenten die het in Antwerpen niet gered hebben. Harts: “Die buizen, zoals dat in Vlaanderen heet, die redden het niet met wis- en natuurkunde, want dat is daar behoorlijk pittig.”

              De Hogere Zeevaartschool in Antwerpen trekt op haar beurt elk jaar zo’n vijftig Nederlanders. De Belgen kennen niet de Marof-opleiding (combinatie nautisch-technisch), zoals dat in Nederland nog het geval is. Via de Belgische route kun je in vier jaar een academische ‘master in de nautische wetenschappen’ worden. En dat voor een fors lager collegegeld. Maar het is wel een ander soort van opleiding. Willem Bruyndonx, woordvoerder van de Hogere Zeevaartschool: “De Nederlandse opleidingen zijn eerder op de praktijk gericht, onze opleidingen hebben meer aandacht voor het academische. Ervaring leert ons dat het niveau van de wetenschappelijke vakken, bijvoorbeeld wiskunde en fysica, beduidend hoger ligt dan in Nederland.”

              wtk.jpg
              Vriendelijke groet, Hans.

              "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

              Reactie


              • #8
                Van metaaldraaier tot scheepswerktuigkundige

                Geplaatst met toestemming, om een beeld te geven hoe het in WO2 kon gaan.

                Van metaaldraaier tot scheepswerktuigkundige. (Het vergeten zeevaartschoolklasje van 1942-1944).

                In de zomer van 1941 verhuisde, op last van de Duitse bezetter, de Zeevaartschool van Vlissingen naar Nijmegen. Volgens de verhalen uit die tijd moest de school het veld ruimen omdat de Duitsers het voortdurend aan de stok hadden met de studenten die de draak met hen staken. Waarschijnlijker is het om aan te nemen dat de bezetter haar oog had laten vallen op het gebouw aan de boulevard dat, na het vertrek van de onderwijsactiviteiten, direct werd gevorderd. In de officiële geschiedenis van de zeevaartschool is Nijmegen de plaats van vestiging in de jaren 1941-1946. Minder bekend is dat een aantal leraren in Vlissingen achterbleven en daar aan huis les gaven aan kleine groepjes studenten. In het jubileumboek dat verscheen ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de zeevaartschool wordt één korte alinea gewijd aan deze periode: “Drie leraren bleven te Vlissingen achter, omdat van de Duitse bezetter toestemming werd verkregen de lessen aan scheepswerktuigkundigen die voor een rang studeerden, bij die leraren aan huis voort te zetten.” In het jubileumboek uit 2003 is deze episode helemaal achterwege gelaten.

                De opleidingen en de behaalde diploma’s van deze klasjes werden direct na de oorlog door de Nederlandse overheid erkend, een legitieme reden om de geschiedenis ervan een keer vast te leggen. Helaas is er weinig schriftelijk materiaal overgebleven uit deze periode en zijn alle betrokkenen overleden.
                In 1939 verhuisde het gezin van Druenen (vader, moeder, zoon en twee dochters) van Den Bosch naar Vlissingen. Piet van Druenen senior, modelmaker van beroep, kon een baan krijgen bij de Koninklijke Maatschappij de Schelde. De scheepswerf kende, na jaren van crisis en tegenspoed , weer een goedgevulde orderportefeuille en had veel nieuwe medewerkers nodig. Om die te werven had men een landelijke campagne op touw gezet. Naast een concurrerend salarisaanbod en - voor die tijd - gunstige arbeidsvoorwaarden kregen de nieuwkomers ook woonruimte aangeboden . Piet senior werd bij de modellenmakerij en gieterij van de Schelde verantwoordelijk voor het maken van de houten modellen waarvan - in klei - mallen werden gemaakt. In deze mallen konden vervolgens de gietijzeren scheepsonderdelen worden gegoten. Piet junior had in Den Bosch de `Koninklijke School voor Kunst, Techniek en Ambacht’ gevolgd en kon bij de Schelde direct beginnen als metaaldraaier. Tegelijkertijd bezocht hij de leerschool van de scheepswerf die hij in december 1941 afrondde met het praktijkdiploma `Metaaldraaien’. De baan bij de Schelde werd full time en de opleiding kon worden vervolgd bij de Nijverheidschool, waarvan de lessen in de avonduren plaatsvonden. Zijn studievoortgang (hij rondde in drie jaar de vijfjarige opleiding af), werd met belangstelling gevolgd door zijn leermeester bij de Schelde, de heer de Munck. Deze vertelde hem, na het behalen van het diploma op 29 mei 1942, dat een paar leraren van de zeevaartschool nog steeds lessen gaven, onder andere voor de leergang Scheepswerktuigkundige (SWTK). Hij vond dat Piet zeker geschikt was om een hogere opleiding te gaan volgen en adviseerde om eens te gaan praten met een van de docenten.

                Zoals dat toen gebruikelijk was, vroeg Piet eerst zijn vader om toestemming. Deze sputterde wat tegen (“..maar jongen, je hebt toch een mooie baan..”), maar keurde uiteindelijk het bezoekje goed. Samen met zijn vriend Ko Kraak, ook een leerling van de Nijverheidsschool, belde Piet op een avond in juli 1942 aan bij het woonhuis van de heer Vader aan de Badhuisstraat 162 . De leraar deed zelf open en liet hen binnen nadat Piet de reden van hun bezoek had verteld. Wat volgde was een soort sollicitatiegesprek. De eerste vraag was: “Hebben jullie pen en papier bij je, want je moet opschrijven wat ik straks ga vertellen”. Daar hadden Piet en Ko als mannen van de praktijk natuurlijk niet aan gedacht. Vader gaf hen een stukje papier en een potlood uit eigen voorraad en begon vragen te stellen over hun opleiding, ervaring en motivatie. De jongens werden uiteindelijk geschikt bevonden en kregen een boekenlijst gedicteerd en de avonden waarop de lessen werden gegeven: één avond bij de heer Schouten (natuur- en wiskunde) en twee avonden bij Vader zelf (voor de praktijkvakken scheepswerktuigkunde, stoomketels en electro) . Boeken konden worden gekocht bij boekhandel D. Goetheer in de Paul Krugerstraat en het lesgeld bedroeg vijf gulden per maand.

                Op weg naar huis hadden ze allebei al beslist: dit moesten ze doen. Zeeman worden was natuurlijk vele malen leuker dan het vooruitzicht de rest van je leven te moeten slijten aan de draaibanken van de scheepswerf. Piet senior dacht daar later die avond anders over maar ging overstag nadat Piet junior had beloofd te blijven werken en alles van zijn eigen loon te betalen. Bij Ko Kraak thuis had zich een zelfde discussie afgespeeld en de volgende dag kende de zeevaartschool twee nieuwe studenten.

                De lessen begonnen in september 1942. In het klasje zaten, behalve Ko en Piet, nog 2 jongens. Alle vier zouden ze de opleiding, die duurde van september 1942 tot augustus 1944, met succes afronden. Overdag werd er gewerkt op de scheepswerf (vijf volle dagen door de week en de zaterdagochtend). Drie avonden, van 19:00 tot 22:00 uur, gingen ze naar school. De andere avonden moesten worden besteed aan het huiswerk dat niet gering was. Van enig uitgaansleven, voor zover al mogelijk in de oorlogsjaren, was nauwelijks sprake, maar daar zaten de jongens niet echt mee. Ze waren aan het leren voor een diploma dat hen in afzienbare tijd de toegang zou verschaffen tot de wereld buiten Vlissingen, Zeeland en Nederland, de wereld van het echte avontuur.

                In augustus 1944 was het eerste deel van de opleiding afgelopen. De zeemannen in spé moesten nu eigenlijk een paar jaar gaan varen om ervaring op te doen. Hoewel dat moeilijk leek – het was oorlog – bleek dat toch sneller geregeld te kunnen worden dan ze dachten. Jan Vader had zo zijn contacten en wist te bewerkstelligen dat Piet, na ontslag te hebben genomen bij De Schelde en in afwachting van zijn eerste klus, tijdelijk te werk werd gesteld bij het machinefabriekje van de heer C.I. Somers, op de hoek van de Paul Krugerstraat en de Koningsweg . Die eerste klus kwam in maart 1945. Zeeland was al een tijdje bevrijd, maar in Noord-Nederland en in grote delen van de wereld woedde de strijd tussen de Duitsers en de geallieerden voort, heviger dan ooit. Drie van de vier aanvaardden de reis: Jan Ragut, Ko Kraak en Piet van Druenen . De eerste etappe werd afgelegd per legertruck, van Vlissingen naar Antwerpen. Vanuit Antwerpen ging de reis per landingsvaartuig naar Londen. Daar werden de drie in een soort politieke quarantaine geplaatst om te kunnen bepalen dat ze van het juiste hout waren gesneden. In Vlissingen was op 29 januari 1945 door de commissaris van politie al een bewijs daarvan uitgereikt , in Londen werd het nog een keer dunnetjes overgedaan. Op 26 maart 1945 konden ook de Engelsen vaststellen dat ze te maken hadden met betrouwbare zeelieden. Ze kregen een monsterboekje, mochten een uniform gaan dragen en traden in dienst van het Netherlands Shipping and Trading Committee . Nog steeds echter was er geen sprake van een eigen schip. Na een paar weken hotel werden twee van de drie verscheept naar New York: Ko en Piet. Jan Regut had inmiddels besloten om toch maar geen zeeman te worden. Ook tijdens de reis naar New York, een troepentransport, waren ze passagier. Het verblijf in New York, in mei 1945, duurde weer een paar weken. Ze maakten er de festiviteiten rondom de overgave van de Duitsers mee en verbleven in een hotel in het hartje van Manhattan. De reis werd vervolgd in juni. Dit keer op een vrachtschip, nog steeds als passagier , met als bestemming Curaçao. Het eiland was een belangrijke thuisbasis van een aantal Nederlandse reders en daar zouden ze eindelijk, op 22 juni 1945, kunnen beginnen met het uitoefenen van hun beroep: assistent SWTK. Op die dag werden Piet en Ko gescheiden. Piet kreeg als rederij de KNSM en als schip de ms Flevo . Deze coaster voer heen en weer tussen verschillende landen van Midden- en Zuid-Amerika volgens het principe van de wilde vaart: in iedere haven waar een vracht werd gelost werd nieuwe lading aan boord gebracht voor een andere haven, totdat uiteindelijk weer bij de thuishaven, Willemstad op Curaçao, kon worden afgemeerd. In oktober 1946 keerde Piet, met het passagiersschip de ss Cottica , terug naar Nederland. Hij had voldoende ervaring opgedaan om de opleiding aan de zeevaartschool te kunnen vervolgen. Die was inmiddels weer teruggekeerd in Vlissingen. Omdat het oude gebouw na een bombardement van de geallieerden grotendeels was veranderd in een ruïne, werd onderdak gevonden in het voormalige burgerweeshuis aan de Badhuisstraat en de Rijks H.B.S. aan de Brouwenaarstraat. In de restanten van de oude zeevaartschool konden ook nog een paar lokalen worden gebruikt.
                Piet kon zijn in 1944 door Dhr. Vader provisorisch geschreven certificaat verruilen voor een officieel diploma en werd direct toegelaten tot de vervolgopleiding. Die werd in 1947 afgerond met het Voorlopig Diploma Scheepswerktuigkundige en in 1948 met het Diploma Scheepswerktuigkundige A. Piet is tot 1956 blijven varen en is dat jaar in dienst getreden van de Provinciale Stoomvaart Diensten (PSD) waar hij als SWTK op de veren Vlissingen-Breskens en Kruiningen-Perkpolder heeft gewerkt tot het einde van zijn loopbaan.
                Vriendelijke groet, Hans.

                "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

                Reactie


                • #9
                  H.Z.S Utrecht.

                  Onderstaand verhaal toegestuurd gekregen van een leerling van deze school, een aantal jaren voor mijn tijd.

                  Met behulp van de Rotterdamsche Droogdokmaatschappij kwam de Zeevaartschool aan de Jutfaasseweg in Utrecht in het trotse bezit van een Stoom-Triple-Expansie-Machine. Deze stoommachines werden tijdens de laatste wereldoorlog in Libertyschepen geplaatst. Deze schepen transporteerden in konvooi oorlogsmaterieel en troepen van de Verenigde Staten naar Engeland. Een echte ouderwetse ‘Schotse’ stoomketel met drie vuren was al in de machinehal van de school aanwezig. Na enige reparatie en solide bevestiging op de fundatievloer en proefdraaien was het zover, de T.E.M. kon als leermiddel in gebruik gesteld worden. Daarvoor werden o.a. B & W van Utrecht, technisch personeel van de R.D.M., de Scheepvaart Unie en Scheepvaartmaatschappijen uitgenodigd. De benodigde hapjes en drankjes werden door de Hotelvakschool verzorgd. Het grote moment was aangebroken. De stoommachine goed gesmeerd en royaal van vet voorzien, de stoomketel op druk. De genodigden in grote kring nieuwsgierig vóóraan. Wij, de leerlingen, keurig in witte overalls achter al dat kijkvolk. De directeur van de Zeevaartschool, nogal klein van postuur, een gewezen marineman, stond op een kruk aan de stoomtoevoerregelafsluiter. Veel condenswater vermengd met olie liep in stralen in de goot, waarin de krukas ‘zou’ draaien. Voorzichtig werd wat stoom toegevoerd, telkens de afsluiter wat verder open. Maar… de stoommachine ging niet draaien. Er klonk veelvuldig advies door de machinehal. De directeur met knalrood hoofd was woedend: géén draaiende machine, dat kon toch niet. Dus werd onder een kernachtige uitdrukking een flinke ruk aan de stoomtoevoerregelafsluiter gegeven en hoera, de ‘armen- en benenwagen’, zo wordt de T.E.M. genoemd, ging woest draaien... Maar al het gevormde condenswater met olie en vet uit de ‘krukasput’ vloog rijkelijk in het rond en bedekte de kleren, gezichten en haren van de genodigden: prachtig, glimmend, vies, vettig. Grote hilariteit. Wij, de leerlingen in de achterste gelederen, kwamen er met een enkel spatje op de overalls van af. Veel moest er worden gedept, geveegd en gepoetst, waarna onder het genot van hapjes en drankjes de bewondering klonk voor zo’n prachtige, rustiek draaiende stoommachine, een aanwinst voor de Zeevaartschool.

                  tripleexpansie.jpg
                  Vriendelijke groet, Hans.

                  "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

                  Reactie


                  • #10
                    Het zeegat uit.

                    Bron: De Amsterdamse Haven (1275-2005).

                    De Amsterdamse zeevaartschool werd eeuwen geleden opgericht om lamlendige jongeren vlijt, godsvrucht en vaderlands liefde bij te brengen. Er is intussen veel veranderd, maar nog steeds komen er ferme kerels vandaan.

                    Vijfentwintig jaar geleden telde Amsterdam drie zeevaartscholen en een machinistenschool, allemaal vlak bij elkaar gevestigd in de haven, langs de Prins Hendrikkade en op de driemaster Pollux, die in het Oosterdok lag afgemeerd. De scholieren woonden in een internaat en liepen in uniform door de stad. Het onderwijs was doordesemd met discipline en Vaderlandsch Gevoel.
                    De zeevaartschool belichaamde eeuwenlang een essentieel aspect van de Nederlandse psyche, een topos in de vaderlandse mentaliteitsgeschiedenis: de vormende werking van De Zee. De zeehelden van de zeventiende eeuw waren daarvan de protagonisten; in de negentiende eeuw werd het fenomeen met grote kracht nieuw leven ingeblazen, in het onderwijs, in de kunsten, in de (jeugd)literatuur en vooral in de volksmuziek van energieke volksverbeteraars als Jan Pieter Heije. Iedereen kent zijn versregel «Ferme jongens, stoere knapen! Foei! Hoe suffend staat gij daar», maar weinigen kennen daarvan de titel: Naar Zee. Alleen daar, op de baren, kon volgens Heije een slampamper uitgroeien tot een held, Jan Salie tot Jan Courage, Michieltje de touwslagersknecht tot admiraal de Ruyter. Net zo transformeerden de Engelandvaarders van K. Norel of E. Hazelhoff Roelzema door hun vlucht over de Noordzee tot echte vaderlanders. Van dat nadrukkelijk uitgedragen zelfbeeld lijkt – op een enkele Heinekenreclame na vrijwel niets over. De Zeevaartschool is bij een gewone hbo-beroepsopleiding ondergebracht, althans in Amsterdam, in een grote hbo-onderwijs fabriek.
                    Aankomende officieren zijn studenten als alle andere, zonder uniform, zonder vlagvertoon. Op de vijfde verdieping van de Hogeschool, aan de Amstel, staan drie scheeps modellen en een oud kompas. Dat is alles wat er van de oude glans over is. (2005).
                    De officiersopleiding is vrij zwaar. In de opleiding zijn, in tegenstelling tot in het buitenland, nautische vakken (navigeren, manoeuvreren) en technische vaardigheden (machines, elektronica, computers) geïntegreerd. Nederlandse officieren kunnen dus varen, laden, de motoren onderhouden en reparaties beoordelen, maar ze kunnen bijvoorbeeld ook zelf lassen. In vier jaar brengen de studenten 360 dagen door op zee. Ze worden verder getraind zelfstandig beslissingen te nemen. Mede daardoor hebben ze op de arbeidsmarkt een concurrentievoordeel op officieren uit Azië of Oekraïne. «Een Filippijnse kapitein», zegt studiecoördinator John Küchler, «zal meestal wachten op bevel van hogerhand – ook al leidt dat soms tot ongelukken. Nederlanders zijn gewend zelf initiatief te nemen.»
                    Ik ontmoet zes man uit een doorsnee klas derdejaarsstudenten. Ferme jongens, dat is duidelijk. Voornamen: Ben, Bas, Bram, Bart, Sigurd, Tim. Gemiddelde lengte: 1 meter 90. Gemiddeld gewicht: zo’n 90 kilo. Gemiddelde leeftijd: 25, iets volwassener dan de doorsnee derdejaars hbo-student. Er zijn geen allochtonen onder hen en geen vrouwen; de enige vrouw in de groep is net afgehaakt en over gegaan op «maritiem management», dat wil zeggen: logistiek, een baan aan de wal. De mannen lachen wat schamper over haar geval, maar ze geven het zo toe: voor vrouwen is de studie niet gemakkelijk. Dat geen allochtonen de studie kiezen, op een enkele Antilliaan na, daar halen zij de schouders over op. Het verbaast ook de coördinator: «Kennelijk hebben Marokkanen en Turken in Nederland geen zeewater in het bloed. t Is een beetje raar, want ook daar wordt veel gevaren. Maar misschien komen ze vooral uit de bergen.»
                    De Amsterdamse Kweekschool voor de Zeevaart werd in 1781 opgericht uit onvrede over de patatgeneratie van die tijd. De glorie van de zeventiende eeuw was vervlogen, de VOC op een haar na failliet, en de Hollandse jeugd had een broertje dood gekregen aan het harde leven op zee. De oorsprong van de huidige school ligt in een pamflet uit 1780 van ene Gulielmus Titsingh, advocaat, boekhouder van de VOC, reder op Suriname, getiteld Bedenkingen over de schaarsheid van zeevaarend volk in het gemeen, en het verval onzer nationale zeevaart in 't bijzonder. Daarin klaagt de schrijver steen en been over de jansaliegeest onder de jeugd. Hollandse jongens laten het werk (en het vechten) op zee liever over aan buitenlands scheepsvolk. Daardoor komt niet alleen de handel in het geding, maar ook de nationale vrijheid, waarschuwt Titsingh, want als de Republiek haar marineschepen niet meer kan bemannen met eigen volk wordt de natie een weerloze prooi voor buitenlandse machten. Titsingh stelde voor een instituut te stichten «om der Nederlandsche Vlag altoos te voorzien van mannen, die een sterken indruk zullen maaken op hen, die jaloers zyn van onzen voorspoed uit den zeevaart, en ons in staat stellen, ten allen tyde eene Nationale macht te hebben, geschikt om dezelve te verdedigen, zo men ze wilde aanranden». Zijn pamflet kreeg nauwelijks respons. Stadhouder Willem V («die sul», volgens Wilhelmina) las het, maar gaf geen gehoor.
                    Titsingh had geluk en kreeg gelijk. Er kwam oorlog: de Vierde Engelse. De jaarlijkse retourvloot naar de West kon daardoor niet uitvaren, tot grote woede van reders als Titsingh, die vergeefs bij de Staten Generaal aanklopte om bescherming. Alleen een handelsvloot naar de Oostzee kon worden geëscorteerd. Dat eskader raakte op 5 augustus 1781 op de Doggersbank in gevecht met een Engelse vloot onder vice-admiraal Hyde Parker. Het escorte, onder bevel van Johan Arnold Zoutman, hield zowaar stand. Dat was in de sterk gedevalueerde Republiek een enorme prestatie en aan het thuisfront werd het gelijkspel dan ook gevierd als een klinkende overwinning: Zoutman had zich een ware opvolger betoond van Tromp, De Ruyter, Van Galen en al die anderen. Voor de gewonden, de weduwen en de wezen werden in een golf van enthousiasme overal in het land fondsen gesticht. Het Vaderlandsch Fonds ter Aanmoediging van 's lands Zeedienst (Haarlem) en het Fonds tot Ondersteuning der Behoeftige Weduwen van Gesneuvelde Zeevarenden in 's lands Dienst (Amsterdam) haalden samen al zo veel op dat er geld overschoot, en zo kreeg Titsingh alsnog zijn school.
                    Omdat de pamflettist aldus triomfeerde werd de school naar Titsinghs inzichten ingericht. Zijn eigen belang als reder (altijd op zoek naar goedkoop volk) en zijn nationaal gevoel liepen daarbij onontwarbaar door elkaar. De kosten voor de leerlingen moesten laag zijn, omdat ze vooral uit de onderste lagen van de bevolking moesten worden gerekruteerd: «Bij hunne toelating worden zij, voor de rekening der instelling van onder- en bovenkleeding voorzien. Ter bestrijding van de verpleegkosten die voor elk op ongeveer duizend gulden worden geschat, behoeft slechts honderd gulden 'sjaars door ouders of voogden worden bijgedragen.» Die bijdrage moest de zeeman later uit zijn eerste gage terugbetalen. Eenmaal binnen stond de scholier een keihard regime te wachten. De leerling, schreef Titsingh, «moet geen zagt en week leeven leiden, maar aan soberheid en hardvogtigheid gewend; in een hangmat slaapen; zyn slaap moet kort zyn, en door beurt-wisselende wagthouding, zomtyds door een loos alarm, afgebrooken, zyn kost moet eenvoudig, dog gezond zyn, en in dezelfde smaak, als aan boord, geschaft worden, ook in bakken verdeelt opgedischt. Men leere hem de beginzelen van Zylenmaken, Scheepstimmeren, Mastenmaaken, het splitsen en knopen van Touwwerk; het inbinden van Blokken etc 't Manoeuvreeren met geschut en handgeweer, het klimmen in 't wand, het reeven, los en vast maken der zylen, het stryken en opzetten van stengen en rhaas; en dit alles met vaardigheid en handigheid.»
                    De discipline was uiterst streng. Het uniform was verplicht, men sliep in hangmatten en at baksgewijs, uit een houten bak met acht man tegelijk. Slappelingen aten aan de luyaards tafel. Er werd bij gelegenheid geranseld met het touw en er waren cellen voor opsluiting van raddraaiers. De zwaarste straf was het houten blok aan het been, dat met een ketting om de enkel werd gesloten en een week lang moest worden voortgesleept (op zondag mocht het, naar de kerk, worden gedragen).
                    Die harde tucht was niet alleen nodig als voorbereiding op de latere carrière op zee. De meeste leerlingen waren van lage komaf. Strikte discipline was het middel om hun zedelijke verbetering te garanderen. Dat werd op den duur bijna een doel op zich. In 1848 stichtte de Nederlandsche Zeil- en Roeivereniging in Amsterdam een tweede school, een Instituut, geschikt van menigen armen knaap een goed matroos, en dienvolgens een nuttig lid der maatschappij te vormen, die, zonder deszelfs opneming op het Matrozen-instituut, welligt tot last dier maatschappij, en tot deszelfs eigen verderf zoude zijn opgegroeid». Dit Matrozeninstituut was gevestigd op een schip, en de aspirant-matrozen zaten daar min of meer geïnterneerd. Ze kregen al hun onderwijs aan boord en mochten alleen op zondagmiddag naar de wal. Als een pupil van een reis terugkeerde werden hij weer in het Instituut opgenomen, opdat hij niet meteen zijn gage zou verbrassen en schulden zou maken, wat weer zou leiden «tot een groote onverschilligheid voor zich zelven en zijn land; lust tot desertie ten einde in de vreemde schulden te ontduiken en de meeste verkeerdheden en zucht tot verandering, die den zeeman zo bijzonder eigen zijn». Orde, netheid, zuinigheid, vlijt en godsvrucht werden er zo met harde hand ingeslagen.
                    Maar discipline en godsdienst waren, volgens Titsingh, nog niet genoeg. Er moest de student ook actief een voorbeeld worden gesteld. Hij adviseerde «dat men nu en dan de levensbeschrijvingen van onzen groten De Ruijter, Tromp, Heemskerk, Sweers, Van Galen, Piet Hein en andere hem voorleeze, welker afbeeldsels zijn jeugdig gemoed kunnen voorgesteld, om het te ontvonken, die doorluchtige mannen na te volgen». In de Zeevaartschool werd daarvoor een zeer grote collectie kunstvoorwerpen aangelegd, portretten, borstbeelden, scheepsmodellen, nautische instrumenten en opmerkelijke curiosa, zoals de kogel waarmee Willem van der Zaan, tijdgenoot van De Ruijter, in 1669 tijdens een zeeslag tegen Algerijnse kapers was doodgeschoten. De collectie was indrukwekkend. Een Duitse reiziger, B.S. Niebuhr, schreef in 1808: «Das Institut besitzt einen Schass van navalne Denkmählern in zwey Zimmern. Nirgends gibt es schönere Portraite als hier, in Holland.»
                    In de jaren zeventig van de vorige eeuw veranderde dat allemaal drastisch. Emplooi in de koopvaardij liep terug, uniformen raakten uit de gratie, de zeevaartscholen fuseerden langzamerhand tot één onderwijsinstelling onder de naam Maritieme Academie Amsterdam, met vestigingen in Amsterdam (hbo), IJmuiden, Den Helder en Harlingen (vmbo en mbo). De kunstcollectie verhuisde naar het Scheepvaartmuseum.
                    Keerde daarmee de jansaliegeest ook terug? Aan de huidige studenten te zien: nee.
                    De zes derdejaars komen niet allemaal uit een varende traditie, maar de meeste toch wel. Tim bracht zijn halve leven door op kleine en grote zeilschepen, leerde het grotere werk op de zeevaartschool in Enkhuizen (die zich vooral richt op de Bruine Vloot) en wilde toen verder. Bens vader zit in de Harlinger visserij; hij studeerde eerst economie, dacht over tand heelkunde, koos toch voor de zeevaart.
                    Er is grote vraag naar Nederlandse officieren. Nederlandse rederijen nemen buitenlandse officieren in dienst, maar zoeken naar eigen kweek; de opleiding in Amsterdam levert elk jaar dertig officieren af, die onmiddellijk aan het werk kunnen en de daarbij de hoogste aanvangssalarissen van alle hbo-afgestudeerden kunnen bedingen.
                    Voor de verantwoordelijkheid zijn ze niet bang. Bas: «Je moet wel sterk in je schoenen staan. Je moet meteen laten zien wat je kunt; je krijgt direct grote verantwoordelijkheid.» Tim: «De kapitein en de stuurman zijn natuurlijk niet ver weg, ze kunnen in tien seconden bij je op de brug staan, je hebt altijd back-up. Maar je moet het zelf doen; en als dan die tweehonderd meter schip vóór je gewoon doet wat jij wilt, dat is prachtig. Dat is adrenaline.»
                    Dat de tradities van de Zeevaartschool en het uniform zijn verdwenen, ach, de studenten kan het niet veel schelen, maar jammer vinden ze het wel, opvallend genoeg. Het internaatsleven missen ze. Tim: «Dat had me leuk geleken. Ik snap wel dat dit voor een klas van tien, twintig man niet rendabel is. Maar het brengt toch een soort eendracht, en het bereidt je veel beter voor op het leven op een schip, zo allemaal op elkaars lip.» Ben: «Op de Zeevaartschool op Terschelling hebben ze uniformen, maar die hoeven ze alleen de eerste twee jaar aan. Daarna niet meer. Het zou eigenlijk beter zijn om het andersom te doen. Dat je het gevoel hebt dat je je uniform moet verdienen.»
                    Is er nog iets over van de glans van vroeger? Voor de studenten zit dat uitsluitend in het varen zelf, met grote Nederlandse rederijen; de wereld zien, veel en lang van huis zijn. De bedrijfstak is allesbehalve romantisch, want zeer efficiënt: computers op het hoofdkantoor berekenen nog voor het afmeren al hoe de lading over het schip zal worden verdeeld. Containerschepen weten tot op het halve uur precies wanneer ze in een haven zullen liggen, en ze liggen er meestal niet langer dan een halve dag. Het is bepaald geen Slauerhoff-bestaan. De mogelijkheid tot passagieren is afhankelijk van de rederij, het soort schip en het soort lading. Bart: «Ik ben in Shanghai geweest, in Hongkong, dan heb je maar zes uur de tijd. Maar dan heb je toch een goede indruk.» Tim voer op een olietanker: «Dan neem je lading aan boord, ergens in de Golf of zo, maar terwijl je vaart kan die olie onder je vandaan worden doorverkocht. Dan weet je niet waar je heen gaat. Dat is gaaf.» Ben voer tijdens zijn stage naar Canada, voor papier: «Het sneeuwde en het regende. Dan kun je geen papier laden. Lagen we een week aan de wal. Ik ging stappen met de matrozen, Filippijnse jongens. Het was geweldig.»
                    Vriendelijke groet, Hans.

                    "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

                    Reactie


                    • #11
                      Zeevaartschool aan het Galgewater te Leiden, de school stond bekend om het Galgenmaal. Als er teveel water in de Snert was gedaan was het eten niet veel zaaks en werd dan Galgenwater of Galgenmaal genoemd. De uitdrukking is na opheffing van het internaat in de eerste wereldoorlog zo goed als "verwaterd "

                      Reactie


                      • #12
                        Alle Hogere Zeevaartscholen op rij in de 60- en 70-er jaren van de vorige eeuw.

                        Bron: Algemeen Handelsblad, 28-05-1969.

                        canvas.png
                        canvas 1.png
                        Vriendelijke groet, Hans.

                        "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

                        Reactie


                        • #13
                          Ankerpark Den Helder

                          ...

                          [02] digikrant.noordhollandsdagblad.nl - Heldersche Courant, dinsdag 17 januari 2017.jpg

                          digikrant.noordhollandsdagblad.nl - Heldersche Courant, dinsdag 17 januari 2017
                          Alles sal reg kom as ons almal ons plig doen

                          Reactie


                          • #14
                            Een "vergeten " zeevaartschool.

                            Minder bekend maar ook Harlingen heeft een zeevaartschool gehad.
                            Bijgevoegde Bestanden

                            Reactie


                            • #15
                              Hierbij een paar foto's van de voormalige zeevaartschool Harlingen

                              zeevaartschool harlingen.JPG

                              zeevaartschoolharlingen 3.jpg

                              Reactie

                              Working...
                              X