Mededeling

Collapse
No announcement yet.

Goslar

Collapse
X
 
  • Filter
  • Tijd
  • Show
Clear All
new posts

  • Goslar

    In "Suriname in WO II" staat de volgende tekst:
    Ook de bemanning van het Duitse schip de 'Goslar' werd geïnterneerd. Dit vaartuig was al in de mobilisatietijd binnengelopen (oktober 1939). Helstone, die toen op een school van de Duitse zending zat, weet nog dat hij het leuk vond met de Duitsers te kunnen praten. Vóór hun internering liet de bemanning het schip, onder grote publieke belangstelling, niet ver van de 'platte brug', de pontverbinding met Meerzorg, zinken. Het wrak hoort intussen bij het havenpanorama van Paramaribo.

    Van iemand die in 2004 in Suriname was, kreeg ik de volgende foto's van het wrak.
    --
    Goslar Klembord 01.jpg

    Goslar Klembord 02.jpg

    Goslar Klembord 03.jpg

  • #2
    Re: Goslar

    H@ns,

    Jij lees zeker ook de daily shipping van Piet Sinke? In de editie van vandaag stond het hele verhaal over dit schip.

    gr Ed

    Reactie


    • #3
      Re: Goslar

      Hallo Ed,
      Nou, dat is puur toeval, want ik heb de site van Sinke nog nooit bezocht.
      Ik kreeg vandaag de foto's en vond ze interessant genoeg om te plaatsen.
      Met groet - Hans

      Reactie


      • #4
        Re: Goslar

        Om het verhaal compleet te maken:

        HET VERHAAL VAN DE GOSLAR
        Het schip de Goslar is een Duits koopvaardijschip. Dit schip is in 1940 tot zinken gebracht door de eigen Duitse
        bemanning in de rivier Suriname. Na de bekendmaking in 1940 dat Nederland in oorlog was met Duitsland, werden er
        in de kolonies van Nederland Duitse koopvaardijschepen tot zinken gebracht, zo ook in Suriname. Echter op het
        moment dat de daar gelegerde Nederlandse militairen de Goslar tot zinken wilden brengen, namen de Duitse
        koopvaarders het heft in eigen handen en lieten hun schip zinken om te voorkomen dat de Nederlanders het in handen
        kregen. De Goslar ligt nog steeds in de rivier en is een stille getuige van de Tweede Wereldoorlog in Suriname.
        Het is 5 september 1939, vijf dagen na het uitbreken van de vijandelijkheden tussen Engeland en Duitsland. Een
        donker schip komt de Surinamerivier op en vraagt asiel. Het is het Duitse 6000-tons in 1929 gebouwde ' turbine stoomschip ' Goslar, toebehorend aan de Norddeutsche Lloyd dat, naar later bleek, voorgoed ligplaats koos op de
        reede van Paramaribo.
        De kapitein Berkhoff achtte voortzetting van de reis naar Europa niet raadzaam en bleef waar hij was, ondanks het feit
        dat zijn Chinese bemanning om die reden aan het muiten sloeg en werd afgevoerd waarbij zijn machinist
        Scharfenberg zich toen al had willen aansluiten. De eerste maanden van de Tweede Wereldoorlog gingen voorbij en de
        overgebleven Duitse bemanning, 15 man sterk, zocht aansluiting bij de Duitse gemeenschap en sloot vriendschap
        in de stad, zoals ook met de toenmalige Commissaris van Politie Van Beek. Men zocht elkaar over en weer op, op de
        wal en op het schip, en wachtte de gebeurtenissen af.
        Een gerommel in de ruimen van het bijna lege schip duidde op activiteiten aan boord, doch men schonk er weinig
        aandacht aan. Dan wordt het 10 mei 1940. Duitsland valt onverhoeds Nederland binnen en het is ook in Suriname
        oorlog. Het is de gepensioneerde Lt.Kol. C. Haakmat - in die dagen beroepssoldaat bij het KNIL en ingedeeld bij de
        gevangeniswacht te Fort Zeelandia altijd bijgebleven hoe hij, na op 9 mei tot laat in de avond een verjaarsfeest bij
        de Duitse predikant Ds Schmidt, met wie hij in de padvinderij actief was, te hebben bijgewoond, dezelfde Ds Schmidt
        in de nanacht als gevangene moest bewaken. Vrienden en medewerkers waren plotseling vijanden geworden.
        Zo moet het ook Commissaris Van Beek moeite hebben gekost zijn kennissen op de Goslar zonder gevoel van
        medeleven te interneren. In elk geval bleek spoedig dat dit toch niet gerechtvaardigd was, want een op scherp gezet
        luik in de bodem van het schip was door één der bemanningsleden in een oogwenk geopend, zodat het schip bij het
        aanbreken van de dag op 10 mei reeds zinkende was. Men had tevoren de kolenvoorraad aan één zijde van het schip
        gestouwd, vandaar het gerommel, zodat het schip onmiddellijk zware slagzij maakte. In allerijl aangevoerde pompen,
        waarmede men door in de scheepswand gebrande gaten het water trachtte uit te pompen, hadden niet voldoende
        capaciteit, zodat het schip nog voor de avond van de 11 e mei plat viel.
        De heer J. Douglas, in die tijd Inspecteur van Dienst bij de Politie, herinnert zich de opmerking van de kapitein van de
        Goslar toen die bij het binnengaan van de gevangenis te Fort Zeelandia omkeek en zei dat redden van de Goslar
        `ausgeschlossen' was. Commissaris Van Beek, die tevens Havenmeester was, werd mede naar aanleiding van het
        gebeurde ontheven. De internering Na enkele dagen verblijf te Fort Zeelandia, waar men nogal last had van `Duitsers,
        waarmede in dit geval wantsen werden bedoeld, kwamen de geïnterneerden onder wie de bemanning van de Goslar
        terecht in het hoofdgebouw van het R.K. Internaat te Kopiweg voorbij Lelydorp, waar de bekende Pater Ahlbrinck de
        scepter voerde.
        Voor de Troepenmacht in Suriname was er toen onder leiding van Kapt. C. Vinck werk aan de winkel. Onderkomens
        moesten worden gezocht, ingericht en bewaakt. Overal werd prikkeldraad opgekocht. Zo veranderde het Internaat te
        Kopiweg in een klein concentratiekamp, waar de in Suriname aanwezige rijksduitsers en later nog Nederlandse
        dienstweigeraars uit Zuid-Afrika werden ondergebracht, terwijl nabij het historische Jodensavanne een speciaal kamp
        werd ingericht voor uit Ned. Oost Indië overgezonden leden van de Nationaal Socialistische Beweging.
        Ze werkten samen in de tuin en op het erf en sliepen in dezelfde kamer, twee man van de Goslar, de stuurman
        Boyksen en de machinist Scharfenberg en 'der Dritte im Bunde', Schubert, reeds lang in Suriname wonend en
        laatstelijk beheerder van de Kerstenboerderij te Beekhuizen. Op een morgen tegen het einde van augustus 1941 wordt
        als gebruikelijk appèl gehouden op de kamer van Schubert, waar op drie bedden de klamboe nog is neergelaten. De
        andere kamerbewoners zeggen dat de drie nog slapen en het appèl is voorbij. Zo ging het bijna een week lang,
        voordat de nodige argwaan gewekt was en de feiten aan het licht kwamen.
        De feiten: Boyksen, Scharfenberg en Schubert waren erin geslaagd tijdens het tuinwerk een houten afsluiting in een
        loostrens onder het prikkeldraad te verwijderen en na het invallen van de duisternis daarlangs te ontkomen. Zij liepen
        langs de spoorbaan en de Meursweg tot aan Onoribo, waar zij vóór het aanbreken van de dag reeds een korjaal
        hadden bemachtigd op weg naar de Boven-Suriname. Zij volgden het Cordonpad naar het oosten, kruisten de
        Commewijne en de waterscheiding met de Araguaya- of Pakirakreek en bereikten daarlangs op zondag 7 september
        1941 in de middag de Marowijnerivier. Na een tocht van naar schatting acht dagen en ruim 150 km, waarbij zij een
        goed gebruik hadden weten te maken van een kompas en een kaart, welke was samengesteld door hun
        medegevangene de Duitse bosopzichter Rogalli, die in die streken niet alleen goed bekend maar ook een kundig
        cartograaf was, lag het voor hen vrije Frans Guyana, dat immers sedert juni 1940 tot het pro-duitse Vichy-Frankrijk behoorde, vlak voor hen. We kunnen nu rustig zeggen dat deze tocht dwars door het bos en vrijwel zonder middelen
        een geweldige prestatie was, welke ook nu nog respect afdwingt.
        Eigenlijk zou de vrijheid hun loon hebben moeten zijn, maar zo is het niet gegaan. Een vermoedelijk militair verslag
        vertelt hoe het wel is gegaan. De bosneger Soea, die in de omgeving van de Pakirakreek woont, bevond zich op
        Zondag 7 September 1941, ongeveer 6 uur n.m. met zijn boot in genoemde kreek, niet ver verwijderd van de
        Marowijnerivier. Na enkele minuten varen, zag hij iemand zitten op een der uitstekende zandbanken in de kreek. Zodra
        deze persoon hem opmerkte, stapte hij het water in en zwom naar hem toe. Soea hield zijn boot stil en toen de
        zwemmer hem genaderd was, deed deze Soea het verzoek, hem en nog twee andere Amerikanen tegen betaling naar
        de Franse oever te brengen. Op Soea's vraag waar de andere Amerikanen waren, zei de zwemmer, dat deze in het
        Bosch waren gebleven. Aangezien Soea op de hoogte was van de ontvluchting van drie Duitschers, ging er bij hem
        een licht op. Hij zei de zwemmer (deze bleek later Schubert te zijn), dat hij terug moest gaan naar de plek waar de
        twee Amerikanen zich bevonden en dat zij met zijn drieën aan den bosrand, ter hoogte van de plaats waar het
        gesprek gevoerd werd, op hem moesten wachten, totdat hij terug zou zijn met een grotere boot. Verder deed Soea,
        door tussenkomst van een anderen bosneger, die voorbijvoer, de in de buurt zijnde bewoners (ook bosnegers)
        het voorgevallene mededeelden terwijl hij (Soea) bij de Pakiramonding bleef wachten. Na enige tijd kwamen er twee
        boten met bosnegers die zich aansloten. Allen hadden geweren bij zich. In de ene boot zaten: Abendai, Daljon, Abiten,
        Asomoege, Djankoso, Joseph en Abagai, terwijl in de andere boot Leni zich bevond. Soea sprak met zijn helpers af,
        dat hij eerst naar de voortvluchtigen zou toegaan, terwijl de anderen hem op een afstand moesten volgen, omdat hij
        niet de zekerheid had, dat de Duitschers ongewapend waren. Bleek dit wel het geval te zijn, dan zou hij den anderen
        een wenk geven, waarop zij zouden moeten toesnellen om hulp te verlenen. Zoals afgesproken, ging Soea naar de
        plek waar hij de drie 'Amerikanen' zou ontmoeten. Zij waren allen aanwezig. De ene (Schubert) vroeg hem waar de
        grotere boot gebleven was. Soea zei, dat de grotere boot straks zou komen, maar dat zij voorlopig in zijn boot konden
        plaats nemen. De drie lui stapten in met hun bagage (zij droegen elk een zak met levensmiddelen op den rug) en naar
        het midden van de kreek roeiende deed Soea de boot tot ongeveer de helft water scheppen. Soea riep toen om hulp,
        waarop ook inderdaad `hulp' verscheen. De twee boten met bosnegers die op korte afstand waren blijven wachten
        (het was donker en ze konden niet worden opgemerkt), snelden toe en de vluchtelingen waren gevangen. Het water
        werd uit de boot van Soea gehaald en de bagage van de vluchtelingen gedeponeerd in de boot van Leni. Toen
        Schubert zag dat zij gevangen waren, haalde hij zijn portefeuille te voorschijn en stortte den inhoud in de boot van
        Soea, met verzoek hem en de anderen nog over te zetten. Soea deed de ontvluchtten in de voorste helft van de boot
        waarin de zeven gewapende bosnegers zaten, plaats nemen. De boot waarin de Duitschers zaten, werd dus
        geflankeerd door de twee kleinere boten. Op deze wijze werden zij naar Herminadorp geleid.'
        Achteraf beschouwd werd de vlucht pas ontdekt toen de mannen al in de buurt van de Marowijne gedwaald moeten
        hebben. Vandaar de haastige spoed waarmede soldaat Haakmat, inmiddels in Albina gelegerd, vanuit Albina op
        patrouille werd gezonden naar de posten en dorpen van de Granmans teneinde de opdracht tot aanhouding der drie
        'aloema's' over te brengen.
        Een tweede ontsnappingspoging in 1942 uitgevoerd door Schubert en vijf Goslar-bemanningsleden, Boyksen,
        Scharfenberg, Malinsky, Iwansky en Klug, ditmaal door het graven van een tunnel vanonder het hoofdgebouw naar
        het buiten het prikkeldraad gelegen begroeide kerkhof, eindigde na enkele uren in het nabijgelegen bos. Voor
        Schubert, die als de motor van deze uitbraakpogingen werd gezien, werd binnen het kamp een aparte barak gebouwd.
        Hij herinnert zich dat alles zo haastig toeging dat het gebruikelijke flesje Sulzberger-antikoortsmiddel werd vergeten
        met een prompte malaria-aanval tot gevolg. De vluchtelingen verhuisden weer naar de Kopiweg, waar het kamp toen
        werd uitgerust met een dubbele prikkeldraadomheining, wachttorens en lichten. De mannen werden op water en
        brood gezet. Zelfs de Surinaamse vrouw van medegevangene Scholze die haar man een taart toezond met de
        boodschap 'helaas gevat', doelend op de afloop van de vluchtpoging, werd enige tijd opgesloten.
        De oorlog ging voorbij, de geïnterneerden gingen naar huis, maar de Goslar bleef. Pogingen rond de vijftiger jaren
        om het schip te lichten faalden, waarna het in tweeën brak. Tenslotte werd rond 1965 via de afgezanten van Salzgitter
        in Duitsland de mogelijkheid geopperd het wrak te verwijderen doch men stelde dat het schip sedert 9 oktober 1940
        eigendom van het Koninkrijk der Nederlanden was. (GAB 1 1 /10/1940 no. 86.)
        Thans is het bruinroestige wrak, in de volksmond beter bekend als Van Beekeiland, een vast baken in de haven van
        Paramaribo.

        bron daily shipping Piet Sinke

        Reactie


        • #5
          Re: Goslar

          Bedankt voor deze snelle service

          Reactie


          • #6
            Re: Goslar

            H@ns,

            Deze wijsheid had ik niet van mezelf hoor, het viel me op dat ik het verhaal net gelezen had en daarom ging ik er van uit dat jij het ook gelezen had in het leugenaartje van Piet Sinke.

            gr Ed

            Reactie


            • #7
              In 1949 meldde zich W. van Weenen, bergingsondernemer in Bussum, en in 1950 deed de heer L.A.P. Swildens in Paramaribo een bod voor het opruimen van het wrak. Deze had in 1942 de acht tekeningen van het schip die commissaris Van Beek in mei 1940 in beslag had genomen, ontvangen. Ook deed H. Aarts, aannemer van sloopwerken in Utrecht, in 1950 nog een voorstel. In januari 1951 kwam er een voorstel binnen van P. Huyg, agent in Paramaribo van Wessler & Gainsby, in november 1951 van Sital Singh in Paramaribo en in mei 1957 van J. G. Romeijn van het bergingsbedrijf Yolande in Rotterdam.
              Pogingen van de toenmalige minister-president J.A. Pengel aan het eind van de jaren zestig om het lichten te laten financieren door de Westduitse onderneming Salzgitter liepen op niets uit. Alle aanbiedingen en onderhandelingen hebben niet tot verwijdering van het wrak van de Goslar geleid, zodat het er vandaag de dag nog altijd te aanschouwen valt.

              Goslar.jpg

              Het ‘IJzeren Eilandje’ of ‘Van Beek-eiland’ ligt nagenoeg midden in de Surinamerivier en is tegenwoordig min of meer ‘onderdeel’ van de haven geworden. Aan de noordzijde van het wrak ontstond een betrekkelijk diepe vaargeul. Mede daardoor is het wrak in de jaren vijftig doormidden gebroken, zonder overigens een belemmering voor het scheepvaartverkeer te vormen.
              En zo ligt het wrak er nog steeds, geen bron van ergernis, eerder een van inspiratie. Nog onlangs heeft het Gerrit Barron geïnspireerd tot het schrijven van een spannend kinderboek, waardoor de herinnering aan het schip bewaard zal blijven voor het nageslacht. Maar ook al in 1940 werd de ‘ramp’ van de Goslar door een bekende plaatselijke tekstdichter en zanger bezongen in een voor die dagen populair liedje waarvan een gedeelte kon worden achterhaald.

              Inmiddels in 2017:

              Onderzoeksteam berging Goslar gaat mogelijke gevaren na.
              Het onderzoeksteam dat zich buigt over het lichten van de Goslar, houdt rekening met mogelijke gevaren voor onder andere de Wijdenboschbrug en het milieu. Dit kwam naar voren op een persconferentie van het bedrijf Sediba dat belast is met dit project.
              Sediba, wat staat voor ‘bron’ van de holding die het project heeft geïnitieerd, heeft sinds 2012 plannen uitgewerkt om de Goslar te lichten en er een documentaire op internationaal niveau over te maken. Het team dat belast wordt met het maken van de documentaire, genaamd ‘The raisin of the Goslar’, bestaat uit Webster Winery en Simon Karlsinky die beiden producties hebben gemaakt voor onder andere National Geographics en Discovery Channel.

              Inmiddels in 2018:

              Veel mis bij bedrijf dat Goslar zou bergen.
              Er is heel veel mis bij Sediba Holding N.V., het bedrijf dat tal van projecten zou uitvoeren in ons land, waaronder de berging van de Goslar. Of de berging nog doorgaat, is niet duidelijk. De redactie heeft vernomen dat de directeur van Sediba Holding N.V., Ben Toppin, momenteel in Nederland is. Wensley Long-fur, lid van het managementteam, heeft op 29 juni op de pagina van het bedrijf een bericht geplaatst waarin hij zijn misnoegen uit over zaken die volgens hem fout gaan in het bedrijf. Wat in het begin leek op een rooskleurige toekomst voor Longfur, eindigde in een nachtmerrie.
              Longfur zegt tegenover De West, dat achteraf gezien, het vanaf het begin al mis ging. “Ontevreden medewerkers waar loze beloften tegen werden gedaan en terwijl er geen geld was, werden er wel steeds meer mensen aangenomen. Het beetje geld dat er was, ging op aan salarissen. Degelijk kantoormeubilair was er niet. De benodigde ICT-systemen heb ik in goed vertrouwen met privégeld laten overkomen”, aldus Longfur.
              Ongeveer twee maanden geleden heeft de redactie Toppin telefonisch gesproken over de berging van de Goslar. Toen beloofde hij de redactie om op korte termijn met een reactie te komen in deze kwestie.
              Hij zei dat de berging vertraging ondervond, wat volgens hem te maken had met tegenwerking vanuit de overheid. Longfur zegt dat elk project stroef verliep en dat zij steeds te horen kregen dat Toppin tegengewerkt werd door de overheid. Gesprekken die hij met de president zou hebben gehad, hebben daar geen verandering in gebracht.
              Maar volgens Longfur waren er ook projecten die buiten de overheid om gingen, en die kwamen ook niet van de grond. “Elke keer kwam het volgens hem door tegenwerking van derden. Mijn mening is dat Ben een erg levendige fantasie heeft en in zijn eigen verhalen en waarheden is gaan geloven”, aldus Longfur.
              Het enige project waar volgens hem wat activiteit merkbaar was, is de Goslar geweest. Maar die activiteit bestond alleen uit papierwerk. “Sterker nog, er werd van alles gedaan om allerlei documenten te regelen om aan derden te laten zien dat er wel degelijk iets gaande was, vandaar ook die plotselinge persconferentie destijds”, zegt Longfur. De grote ellende begon met het steeds weer laat of gedeeltelijk uitbetalen van salarissen. Volgens Longfur heeft Sediba, behalve de projecten, nooit iets ondernomen waarmee inkomsten verdiend konden worden. Herhaaldelijk hebben managers gewezen op het feit dat er veel kosten waren, maar geen inkomsten die de kosten konden dekken.

              Bron: Suriname Mirror / De West.
              Vriendelijke groet, Hans.

              "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

              Reactie


              • #8
                Snap niet dat dat wrak weg moet, het ligt immers niet in het vaarwater maar boven op een zandbank. Even verder de rivier op zit nog een overslag waar seatrade schepen komen laden/lossen. Het stroomt daar behoorlijk en het wrak is behoorlijk verzand dus dat zal de berging duur en "moeilijk" maken.

                Reactie


                • #9
                  Sediba-directeur Ben Topping meent dat de Goslar de ontwikkeling van Suriname in de weg staat, met name die van de haven.
                  Uit gesprekken met onder meer het ministerie van Openbare Werken en de Maritieme Autoriteit Suriname, wordt nagegaan wat de mogelijke effecten van berging kunnen zijn voor de rivier, het milieu en overige infrastructuur, waaronder de Wijdenboschrug.

                  De Goslar zou in die omgeving grote krachtige stromingen in de rivier veroorzaken. Het is van belang te weten of die stromingen gevolgen zullen hebben voor de omgeving wanneer het gezonken schip wordt verwijderd.
                  Toppin (Sediba-directeur) zegt dat er minimaal honderd banen verbonden zullen zijn aan dit project waarvan het gros aan Surinamers zal worden toebedeeld. Daarnaast zal het project vanwege belangstelling internationaal het toerisme in Suriname een boost geven. Het feit dat de Goslar er nu slechts ligt, heeft volgens hem geen meerwaarde voor Suriname en zijn economie. Om te voorkomen dat dit deel van de geschiedenis volledig wordt weggemaakt, zullen enkele typische onderdelen van het schip, waaronder het stuurwiel in een museum worden bewaard.

                  Bron: De West. (Dagblad uit en voor Suriname).

                  Echter.... of de berging nog doorgaat ( veel mis bij bedrijf dat Goslar zou bergen.) is niet duidelijk.
                  Vriendelijke groet, Hans.

                  "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

                  Reactie


                  • #10
                    In # 4 lees ik in het artikel: "een op scherp gezet luik in de bodem van het schip was door één der bemanningsleden in een oogwenk geopend, zodat het schip bij het aanbreken van de dag op 10 mei reeds zinkende was".

                    Ik denk eerder aan het open zetten van buitenboord afsluiters, zoals in de bron: "werkgroepcaraibischeletteren" die meldt: In de machinekamer werden tegelijkertijd maatregelen getroffen om indien nodig het schip binnen korte tijd te doen zinken.
                    Vriendelijke groet, Hans.

                    "Om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren". (Pas als je iets ernstig meemaakt, weet je op wie je kan vertrouwen).

                    Reactie

                    Working...
                    X